Een recente uitspraak van het Hof van Discipline van de Orde van Advocaten maakt ondubbelzinnig duidelijk dat mediation niet kan worden afgedaan als een vrijblijvende gedachte.[1] Een advocaat ontving een tuchtrechtelijke waarschuwing omdat hij onvoldoende had gedaan met de uitdrukkelijke wens van zijn cliënt en dader om mediation met het slachtoffer te onderzoeken Hij had nagelaten zijn cliënt te informeren toen bleek dat een gesprek niet mogelijk was. Daarnaast schoot de communicatie over het instellen van hoger beroep tekort.
Een gemiste kans
In de betreffende zaak had de cliënt zijn advocaat gevraagd de mogelijkheden voor mediation met de aangeefster te onderzoeken. De advocaat had in zijn opdrachtbevestiging zelfs opgenomen dat hij die mogelijkheid zou bekijken. Vervolgens gebeurde er weinig. Het Openbaar Ministerie bleek geen ruimte te zien voor een gesprek, maar de cliënt werd daarvan niet op de hoogte gebracht. Ook werden geen verdere inspanningen verricht om te onderzoeken of een vorm van mediation of herstelgesprek toch mogelijk was.
Zowel de Raad als het Hof oordeelden dat dit tuchtrechtelijk verwijtbaar was.[2] Het verwijt zat niet in het feit dat mediation uiteindelijk niet tot stand kwam – er bestaat immers geen algemene verplichting om in iedere zaak mediation te starten. Het verwijt zat in de onvoldoende inspanning en het ontbreken van communicatie. Gelet op de uitdrukkelijke wens van de cliënt en het feit dat sprake was van een moeilijke relatie die niet direct voorbij was, had de advocaat meer moeite moeten doen om mediation tot stand te brengen, en in ieder geval moeten terugkoppelen dat het OM een gesprek niet wilde toestaan.[3]
Meer dan een tuchtrechtelijke norm
De uitspraak past in een bredere professionele ontwikkeling. Het Hof toetst aan de maatstaf van artikel 46 Advocatenwet en de kernwaarden van artikel 10a Advocatenwet: de werkzaamheden van een advocaat moeten voldoen aan wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt.[4] Die vrijheid is weliswaar groot, maar niet onbegrensd.
Gedragsregel 5 bepaalt dat een advocaat steeds voor ogen houdt dat een geschil bij voorkeur wordt opgelost zonder dat de rechter daaraan te pas hoeft te komen, en dat ook tijdens een procedure wordt gezocht naar een aanvaardbare oplossing.[5] Hoewel gedragsregels de tuchtrechter niet rechtstreeks binden, kunnen zij als invulling van artikel 46 Advocatenwet van belang zijn. In deze zaak is de boodschap helder: wanneer een cliënt een minnelijke route wil verkennen, behoort de advocaat die mogelijkheid serieus te onderzoeken, de cliënt te adviseren over haalbaarheid en gevolgen, en – wanneer mediation niet mogelijk blijkt – daarover ondubbelzinnig terug te koppelen.
Communicatie is de sleutel
De rode draad in beide klachtonderdelen is het belang van heldere, schriftelijke communicatie. Gedragsregel 16 verplicht de advocaat om zijn cliënt op de hoogte te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil bevestigt de advocaat belangrijke informatie en afspraken schriftelijk.[6] Bij ontwikkelingen die afwijken van de oorspronkelijke strategie moet de advocaat de cliënt zorgvuldig adviseren, zich ervan vergewissen dat de cliënt alles heeft begrepen en de gevolgen overziet, en dit zo nodig schriftelijk bevestigen. De cliënt moet over ‘informed consent’ beschikken.
Ook buiten het strafrecht van toepassing
Hoewel deze uitspraak betrekking heeft op de strafrechtspraktijk, reikt de strekking verder. De norm dat een advocaat een uitdrukkelijk verzoek om mediation serieus moet nemen, geldt evenzeer in het civiele recht, het ondernemingsrecht en het bestuursrecht. In zakelijke geschillen is mediation vaak juist bij uitstek geschikt: de belangen zijn complex en verweven, de relatie is soms lopend, en een gezamenlijke oplossing kan economisch én relationeel voordeliger zijn dan een rechterlijke uitspraak.
Conclusie
Voor advocaten luidt de praktische les: neem een verzoek om mediation altijd serieus, onderzoek de mogelijkheden, adviseer de cliënt over kansen en beperkingen, en leg de uitkomst schriftelijk vast – ook en juist wanneer mediation niet haalbaar blijkt. Dit is geen formaliteit maar een uiting van de professionele zorgplicht die artikel 46 Advocatenwet en Gedragsregel 16 vergen.
Voetnoten
[1]Hof van Discipline 20 oktober 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:200 (zaaknummer 250018), bekrachtiging van Raad van Discipline Den Haag 16 december 2024, ECLI:NL:TADRSGR:2024:219.
[2]Raad van Discipline Den Haag 16 december 2024, ECLI:NL:TADRSGR:2024:219, r.o. 5.4.
[3]Hof van Discipline 20 oktober 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:200, r.o. 5.6.
[4]Het Hof hanteert als maatstaf de zorgvuldigheid van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden, getoetst aan art. 46 Advocatenwet en de kernwaarden van art. 10a Advocatenwet. De Raad overweegt in gelijke zin dat de vrijheid van een advocaat bij de behandeling van een zaak begrensd wordt door de professionele standaard die binnen de beroepsgroep geldt.
[5]Gedragsregel 5 (2018): de advocaat houdt steeds voor ogen dat een geschil bij voorkeur wordt opgelost zonder dat de rechter daaraan te pas hoeft te komen en dat ook tijdens een procedure wordt gezocht naar een voor alle partijen aanvaardbare oplossing.
[6]Gedragsregel 16 lid 1 (2018): de advocaat brengt de cliënt op de hoogte van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil bevestigt de advocaat belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan de cliënt.
Roelof Vos advocaat en MfN mediator